Gaswinnen

Procedure

 
Onderdeel van het opsporen van gas is het doen van een proefboring. Voordat een mijnbouwmaatschappij een proefboring mag uitvoeren moet een uitgebreid administratief proces worden doorlopen. Hier zijn diverse partijen bij betrokken. Op de onderdelen van het administratieve proces wordt hieronder nader ingegaan.
Opsporingsvergunning op land

Voordat een mijnbouwmaatschappij een proefboring kunnen doen, moeten ze een aanvraag voor een opsporingsvergunning indienen bij de minister van Economische Zaken. Een opsporingsvergunning is gericht op marktordening: welke partijen mogen in welk gebied exclusief opsporingsactiviteiten uitvoeren. Een opsporingsvergunning die de minister op grond van de Mijnbouwwet verleent is de eerste stap om te komen tot een proefboring. Bij de vergunningverlening van een opsporingsvergunning is de uniforme voorbereidingsprocedure van toepassing.

Stap 1 – Aanvraag 

In de aanvraag voor een opsporingsvergunning staat een tijdvak en een gebied. Op land beslaat een gebied vaak meerdere gemeenten of delen van provincies. Daarnaast staat in de aanvraag of het om aardwarmte of delfstoffen gaat en om welke delfstoffen het gaat. Bij de aanvraag zitten bedrijfsgegevens, reeds opgedane kennis, een geologisch rapport en een programma van de uit te voeren activiteiten.

Tot slot kan de mijnbouwmaatschappij EBN verzoeken om deel te nemen voor 40%. EBN moet meewerken aan dit verzoek. In de praktijk blijkt dat EBN in het merendeel van de gevallen gevraagd wordt om deel te nemen.

Stap 2 – Publicatie

Na ontvangst van de aanvraag publiceert de minister een kennisgeving van de aanvraag in de Staatscourant en in het Publicatieblad van de Europese Unie (PbEU). In de publicatie nodigt de minister andere partijen uit om concurrerende aanvragen te doen. De termijn voor het doen van een concurrerende aanvraag is 13 weken.

Stap 3 – Advisering

Voor de beoordeling van de aanvraag vraagt de minister advies aan TNO (adviesgroep EZ), SodM, Gedeputeerde Staten van de provincie waarop de aanvraag betrekking heeft, en de Mijnraad. In het voorstel voor wijziging van de Mijnbouwwet betrekt het college van Gedeputeerde Staten van de provincie de colleges van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van de waterschappen van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft. In het besluit dat de minister neemt wordt uiteindelijk een aanvraag getoetst aan de in de Mijnbouwwet opgenomen gronden voor de beoordeling van een aanvraag. Alleen die onderdelen van een advies die relevant zijn voor de beoordeling van de gronden in de Mijnbouwwet, kan de minister bij zijn besluit betrekken.

Stap 4 – Vergunningverlening

Na beoordeling van de ingewonnen adviezen dient de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beslissing te nemen over de vergunningverlening. De minister kan deze termijn eenmalig met zes maanden verlengen. Van een beschikking tot verlening van een opsporingsvergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De vergunning treedt in werking één dag na toezending van het besluit.

De minister kan een vergunning weigeren op basis van de weigeringsgronden die in de Mijnbouwwet staan. De minister kan ook voorschriften verbinden aan de vergunning. Zo kan de minister bepaalde technieken of activiteiten voorschrijven of juist verbieden voor (delen van) het gebied. In de vergunning worden de betrokken vergunninghouders en het betrokken gebied vastgelegd. Daarnaast wordt vastgelegd welke vergunninghouder de ‘operator’ is, ofwel de partij die in een samenwerkingsverband verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden.

Werkplan opsporing

Binnen vier weken na de verlening van de opsporingsvergunning moet de operator een werkplan indienen bij de inspecteur-generaal der mijnen (SodM). Dit werkplan geeft een overzicht van de voornaamste mijnbouwactiviteiten die de komende vijf jaren worden voorzien voor een vergunningsgebied. In elk geval bevat het werkplan:

  • een overzicht van de voornaamste mijnbouwactiviteiten die de komende vijf jaar worden voorzien;
  • een uitgebreid overzicht van de mijnbouwactiviteiten die het eerstkomende jaar worden voorzien, zoals verkenningsonderzoek, boringen, eventuele constructiewerkzaamheden, “health & safety plan”;
  • een actueel organisatieschema inclusief de verantwoordelijke personen;
  • kaarten van de structuur van de ondergrond;
Overeenkomsten sluiten

Nadat de vergunning is verleend, sluit de vergunninghouder diverse overeenkomsten. Als de vergunninghouder deelname van EBN wenst bij de opsporing, dan moet hij EBN daartoe uitnodigen. EBN kan deze uitnodiging niet weigeren. De vergunninghouder en EBN sluiten vervolgens een Overeenkomst van Samenwerking (OvS Opsporing). EBN neemt dan voor 40% deel in de opsporing maar wordt geen vergunninghouder of operator. De OvS Opsporing komt binnen zes maanden na de aanvraag van een opsporingsvergunning tot stand en behoeft instemming van de Minister.

Indien er meerdere partijen samen een vergunning krijgen (mede-vergunninghouders) zijn sluiten deze doorgaans ook met elkaar overeenkomsten. Hierin leggen ze hun onderlinge verhoudingen vast.

Omgevingsvergunning en Milieueffectrapportage

Op het moment dat de houder van een opsporingsvergunning daadwerkelijk activiteiten wil uitvoeren is een omgevingsvergunning nodig en eventueel een MER. Bij een omgevingsvergunning wordt gekeken naar bijvoorbeeld bouwvereisten, effecten voor het milieu en de ruimtelijke inpassing. Dit zijn zaken die beperkt bij een opsporingsvergunning aan de orde komen. Onder het kopje ‘Omgeving’ wordt nader ingegaan op de omgevingsvergunning en MER.

Wijzigingen tijdens opsporing

Wijzigingen tijdens opsporing

De opsporingsvergunning kan op verzoek van de vergunninghouder gewijzigd worden. Daarnaast heeft de minister sinds 2017 ook de bevoegdheid om opsporingsvergunningen aan te passen of in te trekken. Dit kan alleen in bepaalde gevallen die zijn beschreven in de Mijnbouwwet. De minister kan bijvoorbeeld een opsporingsvergunning wijzigen indien bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat een gebied – gelet op de structuurvisie of de daar genoemde belangen – niet (langer) geschikt wordt geacht voor mijnbouwactiviteiten met opsporingsinstallaties. In dringende gevallen kan de minister bestaande vergunningen aanpassen of in het uiterste geval zelfs intrekken. Het vergunde gebied kan daarbij worden aangepast of er kunnen nieuwe voorschriften of beperkingen aan de vergunning worden verbonden. Wijziging of intrekking van een vergunning kan ook aan de orde zijn als omstandigheden of inzichten (in bijvoorbeeld het gebruik van bepaalde technieken of ten aanzien van bodembeweging) zijn gewijzigd.

De wijziging betreft nooit andere activiteiten (bijvoorbeeld winnen in plaats van opsporen) of een groter gebied. Daartoe moeten de betrokken partijen een nieuwe aanvraag indienen bij de minister. Verlenging van een vergunningstermijn is alleen mogelijk als de vastgestelde termijn voor de vergunning onvoldoende blijkt om de activiteiten te voltooien.

De Staatscourant vermeldt beschikkingen tot wijziging van een vergunning. Bij geen bezwaar is het besluit na zes weken onherroepelijk.

 

geschiedenis