Gaswinnen

Partijen

In de opsporingsfase zijn diverse partijen betrokken, zoals de partijen die de opsporing uitvoeren, maar ook een bevoegd gezag, adviesorganen of toezichthoudende partijen. De betrokken partijen worden hieronder beschreven.

 

College van Burgemeester en Wethouders (Gemeente)
Een gemeente, respectievelijk het college van burgemeester en wethouders kan, net als provincies, op verschillende manieren betrokken zijn in de opsporingsfase:
 

Adviseur

Sinds 2017 is er in de Mijnbouwwet geregeld dat gemeenten binnen het gebied waarop de opsporingsvergunningsaanvraag betrekking heeft, betrokken kunnen worden bij het advies dat Provinciale Staten kan uitbrengen op de aanvraag.
 
Daarnaast hebben gemeenten waar het project wordt uitgevoerd een adviesrecht bij een omgevingsvergunning voor een proefboring (het aanleggen, wijzigingen of uitbreiden van een boorgat).  In de meeste gemeenten zal bij mijnbouwactiviteiten een aanpassing van het bestemmingsplan nodig zijn of moet de minister een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. In dat geval vraagt hij  aan de gemeente een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (Vvgb) om de omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan te kunnen verlenen. Een Vvgb is alleen niet nodig wanneer de minister in overeenstemming met de minister van Infrastructuur en Milieu beslist over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan bij een project van nationaal ruimtelijk belang of wanneer de rijkscöordinatieregeling van toepassing is. Deze procedure wordt niet lichtvaardig toegepast. Het uitgangspunt is dat de minister in goed overleg met de betreffende gemeente(n) tot een besluit komt. Indien sprake is van nationale belangen kan de minister de gemeenteraad horen en een inpassingsplan vaststellen. 

Belanghebbende

Als een gemeente een belang heeft bij de verlening van een opsporings-, of omgevingsvergunning of de inhoud ervan, kan de gemeente worden aangemerkt als belanghebbende. In deze rol kan de gemeente bezwaar instellen tegen het besluit tot verlening (of niet) van een opsporingsvergunning en beroep instellen tegen het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning. Een beroep tegen een omgevingsvergunning is niet mogelijk als het een project van algemeen nationaal belang betreft waarop de Crisis- en Herstelwet van toepassing is. Een gemeente kan ook haar zienswijze indienen bij de Commissie-m.e.r. om de richtlijnen voor een MER op te stellen. 

M.e.r

Voordat een MER wordt opgesteld, moet de minister van Economische Zaken de adviseurs en de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van het plan worden betrokken, raadplegen over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.7 in het milieueffectrapport moet worden opgenomen. Dat zou ook een gemeente kunnen zijn. 

Grondeigenaar

Is de grond waar de opsporing plaatsvindt van de gemeente, dan moet de vergunninghouder rekening houden met de wensen van de eigenaar ten aanzien van het grondgebruik. Zo vestigt de vergunninghouder op de betreffende grond vaak een opstalrecht voor de op te richten bouwwerken en infrastructuur.
EBN

In de opsporingsfase is staatsdeelname niet verplicht. Als de houder van een opsporingsvergunning daarvoor kiest, kan EBN deelnemen in de opsporing. EBN heeft ook een rol als adviseur bij een vergunningverlening aan een nieuwe mijnbouwmaatschappij.

Als deelnemer werkt EBN op grond van de Mijnbouwwet samen met een vergunninghouder en sluit met hem een Overeenkomst van Samenwerking voor opsporing (OvS Opsporing). Als deelnemer beoordeelt EBN samen met de overige mede-vergunninghouders het Work Program & Budget (WP&B) van de operator. Na goedkeuring van het WP&B kan de operator haar plan om op  te sporen uitvoeren. De kosten van de opsporing en de retributies (doorbelasting van kosten van SodM en de staat) worden vervolgens door de mede-vergunninghouders en EBN vergoed naar rato van deelname. Voor EBN is dat 40%.

Gedeputeerde Staten (Provincie)
De provincie, respectievelijk de gedeputeerde staten van de provincie, kan op verschillende manieren betrokken zijn in de opsporingsfase:
 

Adviseur

De provincie kan bij het verlenen van de opsporingsvergunning optreden als adviseur van de minister.  De provincie betrekt de gemeenten en waterschappen van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in het advies. De minister toetst het advies van de provincie aan de weigeringsgronden in de Mijnbouwwet. 
 
Daarnaast hebben Provincies een algemeen adviesrecht bij een omgevingsvergunning voor een (proef)boring. Het adviesrecht heeft betrekking op provinciale belangen. Als voor een proefboring een wijziging van het inpassingsplan nodig is, dan vraagt de minister aan de provincie een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (Vvgb) om de omgevingsvergunning voor het afwijken van inpassingsplan te kunnen verlenen. Een Vvgb is niet nodig wanneer de minister in overeenstemming met de minister van Infrastructuur en Milieu beslist dat een project van nationaal ruimtelijk belang is of als de rijkscöordinatieregeling van toepassing is. Indien sprake is van nationale belangen kan de minister provinciale staten horen, voor de daarbij betrokken gronden een inpassingsplan vaststellen.
 

Belanghebbende

Een provincie kan op meerdere manieren als belanghebbende betrokken zijn. Als de provincie een belang heeft bij de verlening van een opsporings-, of omgevingsvergunning of de inhoud ervan, kan de provincie worden aangemerkt als belanghebbende. In deze rol kan de provincie bezwaar instellen tegen het besluit tot verlening (of niet) van een opsporingsvergunning en beroep instellen tegen het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning. Een beroep tegen een omgevingsvergunning is niet mogelijk als het een project van algemeen nationaal belang betreft waarop de Crisis- en Herstelwet van toepassing is. Een provincie kan ook haar zienswijze indienen bij de Commissie-m.e.r. ten behoeve van het opstellen van de richtlijnen voor een MER.
 

Grondeigenaar

Is de grond waar de opsporing plaatsvindt eigendom van de provincie, dan moet de vergunninghouder rekening houden met de wensen van de provincie ten aanzien van het grondgebruik. Zo vestigt de vergunninghouder op de betreffende grond vaak een opstalrecht voor de op te richten bouwwerken en infrastructuur. Daarnaast zijn provincies verantwoordelijk voor het beschermen van de kwaliteit van de regionale grond- en oppervlaktewateren. Hiervoor zijn ook regels en verboden opgenomen in de Provinciale Milieuverordeningen en bij veel provincies in de ruimtelijke en omgevingsverordeningen.
Inspecteur-Generaal der Mijnen (SodM)
SodM, respectievelijk de inspecteur-generaal der mijnen, heeft een rol als adviseur en als toezichthouder.
 

Adviseur

Op verzoek van de minister beoordeelt SodM de technische capaciteit van de aanvrager(s) van de opsporingsvergunning: is de aanvrager in staat om de gewenste activiteiten veilig uit te voeren?
SodM adviseert de minister ook bij de verlening van een omgevingsvergunning, de BARMM-melding. De houder van een opsporingsvergunning moet een werkplan indienen bij SodM. Dit bevat onder meer boorplannen en documenten over veiligheids- en gezondheidszorg.
 

Toezichthouder

Toezichthouder SodM  ziet toe op de naleving van alle wet- en regelgeving met betrekking tot mijnbouwwerken of mijnbouwactiviteiten. SodM maakt hiertoe gebruik van de toezichthoudende bevoegdheden uit o.a. de Mijnbouwwet, Arbowet en de Algemene wet bestuursrecht. SodM kan ook handhavingsmaatregelen nemen, zoals bestuursdwang toepassen, een dwangsom of boete opleggen of een maatregel voorschrijven. Veel SodM-inspecteurs zijn ook Buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA). Zij kunnen bij vermoeden van een strafbaar feit ook gebruik maken van hun strafrechtelijke bevoegdheden en een proces-verbaal opmaken.
Minister van Economische Zaken

De minister is het bevoegd gezag voor de opsporingsvergunning. Een aanvraag voor een opsporingsvergunning moet dus worden ingediend bij de minister. Hij kan vergunningen weigeren of reeds afgegeven vergunningen wijzigen of intrekken. Dit kan de minister op basis van gronden die zijn vastgelegd in de Mijnbouwwet.

De minister is eveneens bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning (denk aan het aanleggen van een boorgat, wegen aanleggen, bomen kappen, gebouwen oprichten en afwijken van het bestemmingsplan). De minister is ook de partij die beoordeelt of er bij een omgevingsvergunning een MER moet worden ingediend en de partij bij wie de operator een eventuele Barmm-melding moet doen.

Mijnraad

De Mijnraad geeft aan de minister een overkoepelend advies over het verlenen van aangevraagde opsporingsvergunningen. De Mijnraad maakt hierbij gebruik van de adviezen van SodM, TNO, EBN en de desbetreffende decentrale overheden. De rol van de Mijnraad is uiteengezet in de Mijnbouwwet.

Omwonenden

Omwonenden zijn belangrijke belanghebbenden bij opsporingsprojecten. Sinds 2017 wordt ook de veiligheid van omwonenden expliciet als weigeringsgrond van een opsporingsvergunning benoemd in de Mijnbouwwet. Bij de aanvraag van een opsporingsvergunning kunnen omwonenden hun zienswijze indienen. Omwonenden kunnen eveneens hun zienswijze bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning naar voren brengen.

Mijnbouwmaatschappijen verzorgen vaak bijeenkomsten voor omwonenden. Daar krijgen de omwonenden de gelegenheid om informatie op te doen en vragen te stellen over de voorgenomen activiteiten.

TNO AGE

Bij aanvragen van opsporingsvergunningen adviseert TNO AGE (als onderdeel van TNO) de minister over de begrenzing van het gebied waar de gaswinning moet plaatsvinden en over de geologische onderbouwing van de aanvraag. TNO AGE onderzoekt of het programma van activiteiten aansluit op de kennis van de ondergrond, zoals verwoord in het geologisch rapport. Daarnaast geeft TNO AGE advies over de looptijd van de vergunning in relatie tot het ingediende werkplan. TNO AGE adviseert ook over de waarde van het werkplan en bekijkt de doelmatige exploratie van de Nederlandse ondergrond.

TNO heeft ook een rol als adviseur bij vergunningverlening aan een nieuwe mijnbouwmaatschappij.

Waterschappen
Sinds 2017 is er in de Mijnbouwwet geregeld dat Waterschappen van het gebied waarop de opsporingsvergunningsaanvraag betrekking heeft, betrokken kunnen worden bij het advies dat Provinciale Staten kan uitbrengen op de aanvraag.
 
De minister zal bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan ook moeten overleggen met de besturen van de Waterschappen als hun belangen door het besluit in het geding zijn. Daarnaast is vereist dat in de toelichting bij de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan wordt ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

geschiedenis