Gaswinnen

Coördinatieregeling

Is er sprake van meerdere samenhangende besluiten en plannen, dan kan coördinatie de procedure vereenvoudigen. De Wro kent drie coördinatieregelingen: de Rijks-, provinciale en gemeentelijke coördinatieregeling. Deze regelingen maken het mogelijk dat de voorbereiding en bekendmaking van diverse besluiten zoveel mogelijk gelijktijdig en gecoördineerd plaats vinden. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen bij een omgevingsvergunning, wijziging van het bestemmingsplan, ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet of een watervergunning. 

Toepassing van een coördinatieregeling laat de materiële toetsingskaders voor de uitvoeringsbesluiten in beginsel onverlet. Deze besluiten moeten dus aan dezelfde inhoudelijke eisen voldoen als wanneer de coördinatieregeling niet zou zijn toegepast. Een uitzondering is dat bepalingen in regelingen van provincies, gemeenten en waterschappen om dringende redenen buiten toepassing kunnen worden gelaten, als door die bepalingen de verwezenlijking van het betrokken onderdeel van het nationaal ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd (artikel 3.35 lid 8 Wro).

Ook het beroep bij de bestuursrechter wordt gebundeld indien de besluiten gelijktijdig zijn bekendgemaakt. Als een burger of organisatie een zienswijze heeft ingediend en het niet eens is met het besluit, kan hij beroep instellen en eventueel een voorlopige voorziening vragen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel 8.2 lid 1 onder e en artikel 8.3 lid 1 onder b Wro). Er is geen bezwaarfase.

Mijnbouwwerken voor opslag van stoffen en daarbij behorende pijpleidingen vallen onder de Rijkscoördinatieregeling. Proefboringen en mijnbouwwerken voor gaswinning vallen niet onder de Rijkscoördinatieregeling, tenzij de proefboring en gaswinning onder een beschermd natuurmonument of in een Natura 2000-gebied komen (artikel 141a sub 1 onder a Mbw) of wanneer de Minister van Economische Zaken hiertoe in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu heeft besloten (wetsvoorstel). 

Bij de Rijkscoördinatieregeling worden de besluiten voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en de bijzondere procedurele regels in de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.31 lid 3 Wro). Veel verantwoordelijkheden blijven bij rijkscoördinatie echter in eerste instantie ongewijzigd. De vergunningen en ontheffingen, ook wel uitvoeringsbesluiten genoemd, blijven de verantwoordelijkheid van dezelfde overheden als wanneer het project niet door het rijk gecoördineerd zou worden. De gemeenten besluiten bijvoorbeeld zélf over de aangevraagde omgevingsvergunningen waarvoor zij bevoegd gezag zijn. De Minister kan wel medewerking vorderen van de betreffende bestuursorganen, die bevoegd zijn om de uitvoeringsbesluiten te nemen. De bestuursorganen zijn dan verplicht medewerking te verlenen (artikel 3.35 lid 3 Wro). Indien een betrokken bestuursorgaan niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, dan wel een besluit neemt dat wijziging behoeft, kan de minister van EZ, tezamen met de minister tot wiens beleidsterrein het desbetreffende uitvoeringsbesluit behoort, een beslissing nemen die in de plaats treedt van het besluit van dat bestuursorgaan. Dit is de zogenoemde interventiebevoegdheid (artikel 3.36 lid 1 Wro).

geschiedenis

Hoofdpagina